zelfportret

zelfportret
Mirjam de Veth vertaalt, leest, schrijft en tekent

vrijdag 15 september 2017

Allais twice a day keeps the doctor away

Alphonse Allais in zijn serie monochromen: 'Eerste communie van bleekneuzige jongemeisjes in een sneeuwbui.'

donderdag 14 september 2017

blijven oefenen, want dat baart kunst

Nu de blog weer tot leven komt moet ik alles opnieuw leren. Bijvoorbeeld hoe ik bij al mijn afbeeldingen kan. Een poging:
en nog een tekening:

woensdag 13 september 2017

Leeft dit blog nog?

Destijds begon ik onvervaard met het bijhouden van dit blog, maar dat is inmiddels ruimschoots achterhaald. Mijn tekeningen heb ik de afgelopen jaren  gepubliceerd via Facebook en daar laat ik ook dagelijks een schilderij/tekening zien van iemand die leest.
Dit is een test om te zien of het blog nog werkt.


maandag 21 januari 2013

Il n'y a pas d'amour heureux

Het motto bij het nawoord van mijn vertaling van Emmanuel Bove, L'Amour de Pierre Neuhart, kon haast niet anders zijn dan het bekende gedicht van Louis Aragon 'Il n'y a pas d'amour heureux' uit La Diane francaise, 1946, later op muziek gezet door Georges Brassens.

Rien n'est jamais acquis a l'homme, ni sa force,
Ni sa faiblesse, ni son coeur. Et quand il croit
Ouvrir ses bras, son ombre est celle d'une croix
Et quand il croit serrer son bonheur, il le broie
Sa vie est un etrange et douloureux divorce.
Il n'y a pas d'amour heureux. 

Jammer dat je in het boek het lied niet kunt laten klinken door over de regels te wrijven. Dan maar hier:


Zo zingt Brassens het zelf, en zo Francoise Hardy, 
en zo Barbara, voor mij de mooiste versie:


Als de links het niet doen, maar even zelf opzoeken op YouTube

zondag 20 januari 2013

Een nieuwe Bove: De liefde van Pierre Neuhart

Goeds nieuws! Eindelijk verschijnt er weer iets van Emmanuel Bove in vertaling.

Er wordt al weken gefluisterd dat uitgeverij Coppens & Frenks binnenkort met een nieuwe Bove komt. Dat is geen loos gerucht. Binnenkort in de betere boekhandel: De liefde van Pierre Neuhart. In deze roman uit 1928 gaat Pierre Neuhart, een grindhandelaar van een jaar of veertig, die een goed geordend leventje leidt in het naoorlogse Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw, meedogenloos te gronde aan zijn liefde voor de veel jongere Eliane. En aan zichzelf natuurlijk.

Grafische vormgeving Marjo Starink. Vertaling en nawoord van mijn hand.

Nu al te bestellen bij Athenaeum en Ton Schimmelpennink.

vrijdag 13 juli 2012

Vis hapt naar adem


Wat kan een mens het zichzelf toch moeilijk maken. Nu het afstrepen van de ene na de andere deadline eindelijk ruimte biedt voor het verwezenlijken van lang gekoesterde schrijfplannen houd ik me al dagen onledig met een ommezwaai van pc naar Mac, en dat is niet zo gemakkelijk als alle appeladepten jubelen. Maar in mijn hoofd zwemt een vrije vis op zoek naar open water.

zaterdag 21 april 2012

lettermoe

Te lang te intensief vertalen leidt tot lettermoeheid, die alleen bestreden kan worden door even de wijde wereld in te trekken. Zo gezegd zo gedaan.

dinsdag 27 maart 2012

boekenhoofd



Binnenkort wordt er weer geschreven. Nu een punthoofd van boeken in en op het hoofd.

dinsdag 10 januari 2012

tekening uit getekend dagboek

Getekend dagboek

Sinds jaren ben ik onbezoldigd archivaris van de De Veth-tekeningenverzameling. Vanaf mijn Rietveldjaren houd ik een getekend dagboek bij, een groeiende reeks dummy’s die begon te lijden aan zuurstof- en lichtgebrek. De tekeningen wilden wel eens gezien worden. Daarom publiceer ik vanaf begin 2011 vrijwel dagelijks een tekening uit dat archief op facebook, en tegelijkertijd is er nog steeds nieuwe aanwas. Gezien facebookhuiver & -haat bij menigeen zal ik vanaf 2012 ook nu en dan (maar zeker niet dagelijks) een tekening op mijn blog publiceren.

Vers verschenen

Philippe Soupault door Robert Delaunay
Mijn laatste vertaling:

Philippe Soupault, De laatste nachten van Parijs, mét nawoord, uitg. Coppens & Frenks


Al gesignaleerd in de etalage van onvolprezen boekhandel Schimmelpennink en bij Athenaeum (zie link hieronder)




De laatste nachten van Parijs, 9789071127007, Philippe Soupault - Athenaeum Boekhandel

maandag 5 september 2011

de kleurpotloden van het geheugen



Aan het eind van hun reis door de Sovjet-Unie in de zomer van 1936, laten de schrijvers André Gide, Pierre Herbart en Jef Last hun collega Eugène Dabit ziek achter op een hotelkamer in Sebastopol. Zij reizen vast door naar Moskou, van waaruit Gide en Herbart naar Parijs zullen terugvliegen en Jef Last, die zo snel mogelijk naar Spanje wil, naar Schiphol. Dabit leek wat op te knappen en had zelf op hun vertrek aangedrongen. Een dag later was hij dood.

Vergelijk hun laatste herinneringen aan Dabit.
Volgens Herbart waren zij er nog bij toen Dabit naar het ziekenhuis werd overgebracht. Jef Last bleef niet bij Dabit achter, maar vertrok samen met Gide en Herbart naar Moskou. Hij vergeet bovendien dat Schiffrin al eerder, op 24 juni, naar Frankrijk was teruggekeerd.

Het geheugen is nooit zo onbetrouwbaar als wanneer het gekleurd wordt door schuldgevoel.

 André Gide: `De avond van diezelfde dag moest hij in bed blijven. Een in allerijl erbij gehaalde dokter verbood de toegang tot de kamer uit angst voor besmetting. Door de openstaande deur kon ik vanuit de verte nog een vriendschappelijk gebaar naar hem maken. En toen was alles afgelopen. Pierre Herbart, Jef Last en ik vertrokken drie dagen later naar Moskou, waar Dabit zich zo snel mogelijk bij ons zou voegen als hij beter was van zijn voorbijgaande ongesteldheid. Bij onze aankomst in Moskou vonden we een akelig telegram waarin ons zijn dood werd gemeld. We waren ontroostbaar. Je kunt je niemand voorstellen die het meer waard was geliefd te zijn dan Dabit.
Ik denk vol afgrijzen aan hoe die laatste dagen geweest moeten zijn, die laatste uren van Dabit, omringd door mensen die zijn taal niet spraken en wier taal hij niet verstond. Hoe wanhopig moet hij geweest zijn vanaf het moment dat hij voelde dat hij verloren was, onherroepelijk, reddeloos verloren. We hadden hem achtergelaten in de bijna-zekerheid dat hij niet meer dan een aandoening van voorbijgaande aard had, maar hadden we hem in zijn ogen niet in de steek gelaten?’


Pierre Herbart: `De volgende ochtend zouden we de boot nemen naar Odessa. Het werd al snel duidelijk dat we dat konden vergeten. De koorts zakte niet. Langzamerhand, en hoewel ik me ertegen verzette, meende ik in de kamer een zware sfeer te voelen, vol dreiging. Uit voorzichtigheid hadden we André Gide de toegang tot de kamer verboden, Maar hij was ongerust en negeerde het verbod of  wachtte achter de deur.
               De ochtend van de derde dag erkenden de artsen dat Dabit roodvonk had en lieten hem onmiddellijk overbrengen naar het ziekenhuis. We waren opgelucht dat we de precieze naam van zijn ziekte wisten. Een diagnose, hoe ernstig ook, draagt altijd het voordeel van optimisme in zich.
                Diezelfde avond, om tien uur, was Eugène Dabit dood. (…)
Enkele uren voor zijn dood, toen hij nog in het hotel was, riep Dabit me bij zijn bed. Hij sloeg zijn ogen die gloeiden van de koorts, maar waarin een vonk van vrolijkheid blonk, naar mij op.
                “Hee, Herbart…” zei hij (ik hoor nog die stem gesmoord, door zijn gezwollen keel, hees, en die een gewoon zinnetje zonder enige opzet de pathetische klank van een afscheid gaf). “Hee Herbart, wat denk je van een lekker pilsje op het terras van de Dôme!”
                Ik kan me niet zonder afschuw voor de geest halen hoe zijn dood moet zijn geweest in een vreemd ziekenhuis waar niemand zijn taal sprak, in een eenzaamheid nog triester dan alle slagvelden, zijn zinloze dood die overeenkomstig zijn verwachting was.’


Jef Last: `Gide, Herbart en Schiffrin vertrokken naar Moskou. Een beetje uit schuldgevoel had ik aangeboden te blijven tot er een duidelijker tekening in de toestand van Dabit zou zijn gekomen. Nu ik alleen was achtergebleven, was er ineens niemand meer die zich van mij iets aantrok. Eenzaam dwaalde ik door de stad, die me nog grauwer en lelijker toescheen dan te voren.
De volgende morgen in het hotel zei de dokter mij dat Dabit een betrekkelijk goede nacht had gehad. Ze meenden dat de crisis voorbij was. Ik mocht even in de ziekenkamer, waar zijn bruine gezicht met het kortgeknipte zwarte haar rustte op de witte kussens. Ik mocht niet bij het ledikant komen en hij scheen mij niet te herkennen. De dokter drong er op aan dat ik zou vertrekken, daar ik hier van geen enkel nut was en deze toestand nog wel weken kon duren. Diezelfde ochtend nog nam ik de boot naar Odessa.’








de kleurpotloden van het geheugen

de kleurpotloden van het geheugen